| Historie
Jachthoorblazersgroep 't Panneland is opgericht op 15 september 1976. Dit is de datum die gehanteerd is in het register van de Kamer van Koophandel. De starters van onze club, Kees Straathof en Jan Zantvoort, zijn begonnen met blazen op de jachthoorn. Geinspireerd op een Veluwse jachtpartij, alwaar de jachthoornklanken klonken, besloten zij om dit instrument aan te schaffen en zich het blazen eigen te maken. Achter een dikke beukenboom nabij het koffiehuis het Panneland klonken in het voorjaar van 1976 de eerste basistonen (voornamelijk achter die boom want dan hoorden de mensen in de buurt het niet zo erg). Jan Zantvoort was boswachter in de Amsterdamse Waterleidingduinen en woonde bij de ingang aldaar. Hij was in zijn vak uitgegroeid als een bekende boswachter, een markant persoon, met een gevoeilige kijk op ht leven en bereid om een ieder op te vrolijken, zoals Jan altijd zei: "Pluk de dag". Helaas heeft inmiddels onze Jan ons in 1995 door een hartstilstand verlaten en wie Jan heeft gekend, denkt nog vaak aan hem terug. Kees Straathof is een geboren natuurmens en kan ongelofelijke dingen met zijn handen. Zijn expositie van schilderijen in het bezoekerscentrum de Oranjekom, waar zijn mooiste schilderijen tentoongesteld hangen van de mooiste duinlandschappen, zijn het levende bewijs. Kees werkte toendertijd op het naastgelegen landgoed 't Huis te Vogelenzang als jachtopzichter alwaar er jaarlijks drijfjachten plaatsvonden. Kees en Jan waren tijdens de jachtpartijen op het landgoed altijd aanwezig. Kees was de jachtopzichter en Jan fungeerde als loader voor de jonkheer, hij mocht dan de spullen dragen, de honden meenemen en het geweer voorzien van patronen. Op dit landgoed klonken de jachthoornklanken, hun eerste extra eerbetoon aan het geschoten wild, stilstaan bij de jachtdag, door aan het einde van de dag het wild uit te leggen op een vaste rangorde, het zogeheten wildtableau, om het vervolgens dood te blazen. De toenmalige eigenaar van het koffiehuis, Herman Mense, de vader van Ad, kreeg medelijden met deze twee pruttelaars achter de beukenboom en bood ze elke woensdagavond gelegenheid om in zijn koffiehuis op te warmen, het waren immers geen vreemden voor hem, regelmatig kwamen ze bij Herman op bezoek. Al gauw kregen Jan en Kees door simpelweg oefenen de smaak te pakken en de eerste doodsignalen konden geblazen worden. Weldra werden ze opgemerkt door enkele jagers en vogelaars, deze meldden zich spontaan aan en er vormde zich een groepje natuurmensen, pro jacht en met eergevoel welke de avond omtoverde in een leerzame maar vooral gezellige avond. Jan Gaarthuis, jager en lid van de vereniging Het Waternest, voegde zich ook bij de club en hierdoor was er een muzikale leider geboren; hij breidde het te blazen repertoire flink uit. Ook bracht onze Amsterdamse jager discipline in de groep, nodigde de goede blazers uit op de jachtpartijen van Arnold van der Wal, welke een grofwildjacht bezat op de Veluwe, een van de mooiste revieren van Nederland. Je mocht dan mee als drijver en blazer op de wilde varkensdrijfjacht, als uitverkorene, een happening om nooit meer te vergeten. Bob Apswoude kwam ook rond de tijd van Jan Gaarthuis bij de club en met zijn achtergrond als trompettist van drumband Vogelenzang, en ook nog eens in staat om noten te lezen, heeft hij op muzikaal gebied veel betekend voor de club, en samen met Sjoerd Bakker begeleiden zij onze club subliem. Op 23 februari 2011hebben Bob Apswoude en Sjoerd Bakker de muzikale leiding stopgezet. Een jaar later wordt Bob Apswoude opnieuw tot muzikaal leider gekozen. De muzikale lessen en blaasinstructies worden sinds medio 2011 verzorgd door muziekdocent Eduard Lachi. Na 13 jaar voorzitterschap heeft Peter Apswoude het estafettestokje op 3 februari 2010 overgedragen aan Siem Vos. LEDENINFORMATIE (peildatum 27 februari 2012) Aantal
leden : 37 Beknopte geschiedenis van de Jachthoorn en het Jachthoornblazen (tekst van Willem O. van Zoeren) In 1992 werd het boekje "De jachthoorn door de eeuwen heen" geschreven met als ondertitel "Een beknopte schets van de geschiedenis". Daaruit is stof gekomen voor dit artikel. Hoorns bestaan er welhaast sinds mensenheugenis. Het waren lang niet altijd jachthoorns. Wel hebben ze gemeen dat ze veelal gebruikt werden voor religieuze doeleinden en het geven van instructieve signalen bij het leger. Uit de bijbel kennen we de Sofar. Een hoorn van een buffel, die verhit wordt en enigszins plat gemaakt. Hier werd echter de hoorn bij de godsdienstbeoefening gebruikt. De Romeinen kenden de Lure, een hoorn van metaal en leer. Ze hadden er hele corpsen van die muziek maakten in zegetochten en -wellicht ook - directieve signalen tijdens de veldslagen. Viola Roth, een (toenmalige) studente van de Indiana University heeft een interessante studie geschreven getiteld "The Legacy of the Royal Hunt: iets origins"(Bloomington, 1986). Daarin schetst zij de voorgeschiedenis van de jachthoorn. Men gebruikte hoorns van buffels en zelfs slagtanden van olifanten, al of niet beslagen met gouden dan wel zilveren versierselen. Veel muziek kwam er niet uit: een toon, als je je best deed, 3 tonen. Op die ene toon was dan ook een vijftiental signalen gebaseerd die, volgens de "Livre de Chasse"(Gaston de la Foix, ongeveer 1507) gebruikt werden voor de koninklijke hertenjacht. Het "notenschrift"bestond uit rechthoekige reepjes, open dan wel dicht, die kwart- en achtste noten voorstelden. Het gegeven signaal moest niet alleen van links naar rechts, maar ook achterstevoren worden geblazen. Beroemd is een miniatuur uit het Grote Heidelberger Liederenmanuscript dat de ridder Sunegge liet zien, te paard en met hoorn aan de mond, jagende met honden en helper op een hert. Rond 1680 worden de eerste jachthoorns gebouwd in Frankrijk. De jagermeester van Lodewijk de XIV, de Maquis de Dampierre, componeert de eerste jachtfanfares waarvan er vele nu nog worden geblazen. Dit vindt navolging bij de koninkrijken en adel in Frankrijk en ver daarbuiten. De buitenlandse koninklijke en erzerlijke hoven zonden hun zonen naar het Franse hof om er etiquette te leren, Frans te spreken, cultuur te snuiven en te jagen. Zo ook Franz Anton, Graaf von Sporck (1662-1735). Als deze vroegtijdig z'n opleiding moet beeindigen in Frankrijk om het onderkoningschap van zijn vader op te volgen, stuurt hij twee lijfeigenen, Wenzel Sweda en Peter Rollig, naar de Franse jachthoornblazers om de kunst af te kijken en mee terug te brengen naar Bohemen. Deze komen beleerd terug en leren hun jachthoornblaaskunst dan weer aan anderen. Het is ook Sporck geweest die in zijn eigen hofkapel de hoorn introduceerde. Er ontstond een Boheemse school. Als (vermoedelijk) Anton Joseph Hampel dan ook nog de stop- en demptechniek ontwikkelt, wordt de hoorn een volwaardig instrument voor - de nu - klassieke muziek, zeker nadat hij met Johann Werner de "Inventiehoorn" ontwikkelt. De inventiehoorn staat in een basisstemming, maar is met montabele buizen verstembaar. Dit instrument is zeker tot na 1830 in gebruik geweest. Wij kennen de stop- en demptechniek nog wel uit de Es-seminars in Duitsland. Men kan dus vststellen dat in Mozart's tijd de scheiding plaatsvond tussen amusements- en jachtmuziek. Bekende blazers uit ie tijd zijn b.v. Johann Wenzel Stich oftewel Punto en een tijdgenoot en persoonlijk vriend van Mozart, Ignaz Leutgeb. Als u eens de hoornconcerten van W.A.Mozart opzet, moet u bedenken dat deze in zijn tijd helemaal met stop- en demptechniek werden bespeeld. Helaas zijn ze niet op cassette of CD te leveren. Ventielen en kleppen werden pas rond 1810 uitgevonden. Door het gebruik van ventielen en ingebouwde pijpen behoefde men het instrument niet meer te verstemmen d.m.v. hulpstukken. Het heeft -in verband met de min of meer gebrekkige bouwmethode- nog enige tijd geduurd voordat deze hoorn als volwaardig instrument werd geaccepteerd in de toenmalige orkesten. Op kopie-18e-eeuwse hoorns wordt nog gespeeld door de hoornisten van het Orkest van de 18e eeuw. Onze pure Essers gebruiken deze techniek alleen bij b.v. het Andante uit de Boerenmars. Klassieke- en jachthoorn kregen hun eigen cultuur. In het jachthoornblazen (dat op dat moment in Duitsland, Frankrijk en zelfse Engeland plaatsvond) treedt een achteruitgang op. In Engeland verdwijnt het jachthoornblazen vrijwel helemaal. In 1848 wordt in Duitsland de parforce alleen nog bij zeldzame koninklijke jachtpartijen geblazen. Rond 1880 vindt er in Oostenrijk een "revival" plaats. Georg Franz Dietrich Winkel schrijft in 1805 een "Handboek voor jagers, geautoriseerde jagers en jachtliefhebbers"waarin jachtfanfares voorkomen, maar deze stoelen op de Franse traditie. Een ander figuur, Stephen Behlen, neemt in zijn boek deze signalen over en vult deze aan met o.m. "Halali und Hirsch tot"en "des Schweines tot", alles voor parforcehoorn. Het is wellicht leuk om te weten hoe de Plesshoorn aan zijn naam komt. Aanvankelijk heette deze hoorn een "Einschleifenhorn". Zo rond 1880 was het Hans Heinrich de XI, Furst Pless (1838-1909) die het ceremonieel jachthoornblazen hooghield tijdens de jacht. Hij kwam in de gunst van de Pruisische koning en werd benoemd tot Opperjagermeester van de Keizer. Aan der Hans danken we dus de naam van onze kleine jachthoorn. Over de herkomst van de z.g. directieve signalen is niet veel bekend. De eerste signalen stammen uit 1787 en zijn veelal afgeleid van Pruisische- maar ook Engelse legersignalen. Zo heette toen ons "verzamelen drijvers""rechtss ziehen"en "zusammen schliessen"heet bij ons "verzamelen jagers". Reveille, Begroeting, Etenen Jacht Voorbij vormen qua herkomst nog een raadsel. Het zijn de Duitsers Harnack, Eisenschink en vooral Neuhaus die hier in de twintigste eeuw enige ordening hebben aangebracht. Eisenschink maakte het nogal bont door te beweren dat het blazen van een Pless niet moeilijker was dan het drinken van een fles bier. Je blaaskracht was te testen met een kaars, die brandend op een tafel werd geplaatst. Kon je die nu vanaf 100 tot 85 cm uitblazen, dan zou Louis Armstrong jaloers op je zijn. Zou het niet lukken op een afstand van 20 cm tot 0 cm, dan kon je beter piano gaan spelen. Onder invloed van o.m. Neuhaus werd het Es/Bes-blazen populair gemaakt. Het werd eigenlijk een soort eigen stijl binnen de Franse traditie. Reinold Stief ging hier mee door en introduceerde de 1e Parforce in het hoge register in Bes. Tot dan was, o.a. door Neuhaus,de Parforce laag gehouden. tekst van Willem O.van Zoeren (Ridderkerk maart 1996). Overleden in de zomer van 2003.
|
|||